17 juli 2020

Ieder mens, jong en oud, heeft in zijn streven naar autonomie en groei, behoefte om (enige vorm van) controle over z’n leefomgeving te hebben en te houden. Uiteraard in de verwachting dat dit wel wat positiefs moet opleveren, want anders zou je er niet eens aan beginnen. Om te kunnen groeien is ruimte nodig en deze ruimte willen we zo goed mogelijk behouden of, liever nog, vergroten.

In tegenstelling tot sommige dieren die d.m.v. het zogeheten ‘vlaggen’ hun territorium afbakenen, hanteren wij hiervoor meer maatschappelijk geaccepteerde vormen als: onze handdoek neerleggen op het strandbedje, tas op de stoel naast ons en het naambordje op onze voordeur. De boodschap is subtiel en relatief onschuldig en tegelijkertijd overduidelijk: dit hoort bij mij en daar hoor jij, en jij ook, rekening mee te houden.

Anders wordt het als anderen ons gaan opleggen hoe wij ons ‘moeten’ gedragen. En dit geldt vooral in het huidige Corona-tijdperk. De ‘anderhalve meter’, de verplichte winkelwagentjes en routebepaling in een winkel, het verbod om met meer dan het (door overheidswege) vastgestelde aantal personen bij elkaar te zijn enz. Deze voorbeelden beperken onze mogelijkheden om zoveel mogelijk autonoom te zijn (en hier controle over te hebben). En als deze behoefte onvoldoende kan worden vervuld, ontstaat er een conflict tussen ratio en emotie. Ik ben benieuwd welke van de twee er uiteindelijk als winnaar uit de strijd komt.